Openbare publicaties

Waar mogelijk publiceren deelnemers aan het R&D programma ook in het openbare deel van deze website. Het meeste werk is echter alleen toegankelijk voor deelnemers.

Op dit moment is een publicatie openbaar gemaakt over het inspectiekader en kleuteronderwijs.

En er zijn drie willekeurige onderdelen van de besloten opgeving openbaar gemaakt.

Veiligheid; het verhaal van de timmerhoek

Verleiden tot spelen en leren

Kritische situatie: turfbewaking

 

Inspectiekader en kleuteronderwijs

Veel leraren in het kleuteronderwijs ervaren in hun werk een spanning met de eisen die door de inspectie worden gesteld. In de praktijk bestaan hierover de nodige misverstanden, zoals de veronderstelling dat het inspectiekader een schoolse aanpak in de onderbouw inhoudt. We gingen op zoek naar de aspecten van het inspectiekader die voor het kleuteronderwijs van belang zijn.

Inspectiekader en kleuteronderwijs

Het actuele toezichtkader van de inspectie voor het primair onderwijs is te vinden op de website www.onderwijsinspectie.nl en is ook verkrijgbaar in de vorm van een brochure via Postbus 51 (brochure Toezichtkader 2009 po/vo, Utrecht, 2009).

Belangrijk in de deze recente versie van het toezichtkader is het uitgangspunten dat de inspectie risicogericht werkt en het bestuur als eerste aanspreekpunt beschouwt. Dit is in lijn met de nieuwe wetgeving Goed onderwijs, goed bestuur. ‘Risicogericht’ wil zeggen dat scholen met risico’s meer toezicht krijgen en scholen zonder risico’s minder. 

Risicoanalyse
Jaarlijks bepaalt de inspectie bij welke scholen er onderzoek noodzakelijk is. Daarbij wordt gekeken naar de opbrengsten van de scholen, de jaarstukken van het bestuur en eventuele signalen, zoals bijvoorbeeld klachten van ouders. De opbrengsten worden gemeten naar vergelijkbare leerlingpopulaties op de gebieden taal en rekenen/wiskunde. De scholen dienen hierbij gebruik te maken van landelijk genormeerde instrumenten, zoals de bekende CITO-eindtoets. De wijze waarop de beoordeling plaatsvindt, staat beschreven in het document Analyse en waarderingen van opbrengsten, Utrecht, 2010 (zie: www.onderwijsinspectie.nl).

Als de analyse geen risico’s laat zien, valt de school onder het basistoezicht. In principe volgt er dat jaar geen onderzoek. Het blijft overigens mogelijk dat de school nog tussentijds inspectiebezoek krijgt in verband met thematische onderzoeken of onderzoeken in het kader van het onderwijsverslag van de inspectie. De inspectie zorgt ervoor dat ze iedere school in ieder geval eens in de vier jaar bezoekt.

Onderzoek kwaliteit van het onderwijs
Als er sprake is van risico’s, voert de inspectie een kwaliteitsonderzoek uit. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een kernkader, dat bestaat uit de volgende onderdelen:

a) de opbrengsten van de school
b) het  onderwijsleerproces
c) zorg en begeleiding
d) kwaliteitszorg
e) wet- en regelgeving

Bij de onderdelen a) tot d) wordt gewerkt met negen kwaliteitsaspecten die elk zijn uitgewerkt in nadere indicatoren. Zo wordt er bij de opbrengsten van de school niet alleen gekeken naar taal en rekenen/wiskunde, maar ook naar de vraag of de leerlingen in beginsel binnen de verwachte periode van acht jaar de school doorlopen, naar de ontwikkeling van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften en naar de sociale competenties van de leerlingen.
De rapportage over het onderzoek wordt besproken met het schoolbestuur en de schoolleiding en wordt openbaar gemaakt op de website van de inspectie.

Aangepast toezicht
Als uit het onderzoek blijkt dat er tekortkomingen zijn, krijgt de school aangepast toezicht. De school wordt dan gekarakteriseerd als ‘zwak’ of ‘zeer zwak’. Voor dit onderscheid wordt een beslisschema gehanteerd: een school is ‘zwak’ als de eindresultaten over drie jaar onder de maat zijn. De school moet dan beduidend slechter presteren dan scholen met een vergelijkbare leerlingpopulatie.  Een school wordt als ‘zeer zwak’ gekarakteriseerd als er daarnaast ook tekortkomingen worden gesignaleerd bij het onderwijsleerproces of de zorg en begeleiding voor kinderen.
Het schoolbestuur van zwakke en zeer zwakke scholen staat voor de opdracht om een plan van aanpak te maken ter verbetering van de kwaliteit. Met de inspectie worden prestatieafspraken gemaakt. Op basis daarvan maakt de inspectie een toezichtplan. Zeer zwakke scholen worden vermeld op een maandelijks overzicht op de website van de inspectie. Het verbetertraject wordt na uiterlijk twee jaar afgesloten met een onderzoek naar de kwaliteitsverbetering. Als het geheel van maatregelen uiteindelijk niet leidt tot verbetering, volgt melding bij de minister. Deze kan overgaan tot bestuurlijke sancties en/of bekostigingssancties.

Het toezichtkader en het kleuteronderwijs
Het toezichtkader spreekt zich niet uit over onderwijsconcepten en de school is dus vrij om daarin keuzes te maken. De school moet zich wel verantwoorden over haar onderwijs en de resultaten, ook over de onderbouw. In het kleuteronderwijs vragen de volgende indicatoren specifieke aandacht:

Indicator 2.3 (onderwijsleerproces):
De leerinhouden in de verschillende leerjaren sluiten op elkaar aan.

In de toelichting bij het kernkader staat hierover het volgende:

‘In de school moet er sprake zijn van een doorgaande lijn. Dat betekent dat de groepen 1 en 2 werken met een beredeneerd en vastgelegd aanbod dat aansluit op de leerinhouden van groep 3. Voorts moet in de leerjaren 3 tot en met 8 structureel en op elkaar aansluitend gebruik worden gemaakt van de methoden die de school hanteert. Als de school niet over methoden beschikt dan dienen de leerinhouden in leerlijnen met tussendoelen beschreven te zijn en eveneens structureel gebruikt te worden. Scholen die samenwerken met een peuterspeelzaal of kinderdagverblijf met een VVE-aanbod sluiten met hun aanbod aantoonbaar bij het voorschoolse programma aan.

Waar in de midden- en bovenbouw in de regel methodes kunnen worden gevolgd met vastgelegde leerlijnen, tussendoelen en een beredeneerd aanbod, hebben onderwijsgevenden in de onderbouw een extra verantwoording te leveren als zij - zonder reguliere methode - open en ontwikkelingsgericht onderwijs verzorgen. Van de kant van de inspectie wordt aangegeven dat hierbij niet volstaan kan worden met het louter benoemen van activiteiten die plaatsvinden in de kleutergroepen. Er zullen leerdoelen moeten worden benoemd, waaraan wordt gewerkt vanuit ontwikkelingslijnen, die met ontwikkelingslijnen zijn verbonden. Daarnaast moet vaststaan dat het aanbod in de kleutergroepen aansluit op dat van de daarop volgende groepen. Een ‘beredeneerd aanbod’ hoeft overigens niet programmatisch te zijn gepland. Het begrip ‘beredeneerd’ houdt in dat je het aanbod kunt presenteren op grond van het belang ervan dat je zelf als juf hebt vastgesteld.

Indicator 7.1 (zorg en begeleiding):
De school gebruikt een samenhangend systeem van genormeerde instrumenten en procedures voor het volgen van de prestaties en de ontwikkeling van de leerlingen.

Toelichting bij het kernkader:

  1. ‘De prestaties en de ontwikkeling van de leerlingen worden gewaardeerd met een leerlingvolgsysteem, dat past bij de kenmerken van de leerlingpopulatie. Het gaat om een systeem van landelijk genormeerde, valide en betrouwbare toetsen, ten minste op het gebied van Nederlandse taal en rekenen en wiskunde, aangevuld met structurele observaties in groep 1 en 2. De toetsen worden zowel in de kleuterbouw als in de leerjaren erna bij alle leerlingen afgenomen. Over het gebruik van deze instrumenten en de interpretatie van de verkregen gegevens zijn op schoolniveau afspraken gemaakt.’
  2. Over de genormeerde toetsing in de kleutergroepen laat de inspectie weten dat eenmalige afname per twee jaar toereikend is, naast de gebruikelijke observatiesystemen. Het argument bij het hanteren van geobjectiveerde toetsen is dat het belang van het volgen van de leerling te groot is om alleen aan eigen (subjectieve) waarneming over te laten. Dit geldt ook voor de signalering van zorgleerlingen en de vaststelling van hardnekkige leerproblemen.

 

Indicator 7.2 (zorg en begeleiding):
De leraren volgen en analyseren systematisch de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen.

Toelichting bij het kernkader:

  1. ‘De leraren bepalen in alle groepen regelmatig de prestaties en ontwikkeling van de leerlingen met de hun daartoe ter beschikking staande middelen (zoals observatie-instrumenten, portfolio’s, proefwerken, dictees, methodegebonden en methodeonafhankelijke toetsen) ten minste op de gebieden Nederlandse taal, rekenen en wiskunde en sociale competenties. Zij administreren de resultaten op groepsniveau op overzichtelijke wijze. Uit de groepsregistratie blijkt dat leraren analyses maken van resultaten (zoals foutenanalyses op groepsniveau). Deze gebruiken zij aantoonbaar voor reflectie op de  leerinhouden, de onderwijstijd en het didactisch en pedagogisch handelen. Dat wil zeggen: uit de analyses trekken zij conclusies ten behoeve van de afstemming van het onderwijs aan individuele of groepen leerlingen.’

 

Dat laatste aspect van reflectie en evaluatie naar aanleiding van de geregistreerde resultaten blijkt in het Nederlandse onderwijs nog te zwak. Opbrengstgericht onderwijs impliceert dat dit nadere uitwerking krijgt

Kwaliteitsaspect 8 (zorg en begeleiding):
Leerlingen die dat nodig blijken te hebben, krijgen extra zorg

Dit kwaliteitsaspect wordt uitgewerkt in vijf indicatoren die gericht zijn op: 1) signalering, 2) analyse en diagnose, 3) planmatige remediëring, 4) evaluatie van de zorg en 5) samenwerking met ‘ketenpartners’ als de zorg de eigen kerntaak overschrijdt.

Een en ander betekent dat ook in de onderbouw op grond van signalering via het leerlingvolgsysteem of gerichte observaties voor zorgleerlingen gerichte handelingsplannen worden gemaakt. In de regel zal dit plaatsvinden in samenwerking met de interne begeleider van de school. Overigens geldt de zorg ook voor het vroegtijdig signaleren van leesproblemen/dyslexie en meerbegaafdheid.

Conclusie
Concluderend kan worden gesteld dat de leraren in de kleutergroepen de leer- en ontwikkelingslijnen beschreven moeten hebben met een beredeneerd aanbod (bijvoorbeeld in een maandelijkse cyclus). Daarnaast moeten zij de ontwikkeling van de leerlingen volgen en analyseren aan de hand van een leerlingvolgsysteem / observatiesysteem en waar nodig planmatig extra zorg bieden aan de leerlingen die dit nodig hebben.